Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD7588

Datum uitspraak2001-09-25
Datum gepubliceerd2001-12-21
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/42200
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / intrekking beroep. De rechtbank stelt voorop, dat het beroep dat de vreemdelinge, met Litouwse nationaliteit, door middel van de kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 geacht wordt te hebben ingesteld ondubbelzinnig is ingetrokken. Daarmee is de rechtbank welbewust afgehouden van het doen van een uitspraak over de rechtmatigheid van de maatregel van inbewaringstelling. De rechtszekerheid vereist, dat verweerder er in een dergelijk geval op kan vertrouwen dat de totstandkoming van die maatregel (met inbegrip van de gronden daarvoor) niet meer in rechte kan worden aangetast. In ieder stadium van de bewaring kan door (de gemachtigde van) de vreemdeling beroep worden ingesteld. In de artikelen 94, eerste lid, en 96, eerste lid, Vw 2000 is hiermee bijvoorbeeld expliciet rekening gehouden. De huidige gemachtigde van de vreemdelinge heeft ter zitting schriftelijk beroep ingesteld nadat haar duidelijk was geworden dat het vorige beroep was ingetrokken. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:4, derde lid, Awb, inhoudende dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Het beroep dient naar het oordeel van de rechtbank gezien het intrekken van het eerste beroep te worden aangemerkt als een vervolgberoep. Ter toetsing ligt daarom nog slechts de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring voor. Aan hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd met betrekking tot de strafrechtelijke staandehouding en aanhouding van de vreemdelinge gaat de rechtbank dan ook voorbij (daargelaten de vraag of zij aan toetsing daarvan zou zijn toegekomen). Ook de vraag of de vreemdelinge in staat is, dan wel had moeten worden, gesteld om aangifte te doen wegens vrouwenhandel had bij de behandeling van het eerste beroep aan de orde kunnen komen. Ter zitting is overigens gebleken dat de vreemdelinge wel contact heeft gehad met de jeugdzedenpolitie. Desgevraagd heeft zij medegedeeld zich niet met prostitutie te hebben beziggehouden, geen aangifte te willen doen tegen wie dan ook en alleen maar naar huis te willen. Tijdens een verhoor op 27 augustus 2001 heeft zij gesteld wat haar ware naam is en dat zij afkomstig is uit Wit-Rusland. Verweerder bereidt nu een presentatie bij de Wit-Russische autoriteiten voor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende zicht op uitzetting is en dat verweerder met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting werkt. Beroep ongegrond.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep vrijheidsontnemende maatregel __________________________________________________ Reg.nr : AWB 01/42200 VRWET Inzake : A, crv nummer 1305176050, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zwolle, hierna te noemen de vreemdelinge,gemachtigde mr. C.L. Koets-Bolhuis, advocaat te Den Haag, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. H. Hanoeman, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1981 en de Litouwse nationaliteit te hebben. 2. Op 23 augustus 2001 is de vreemdelinge in bewaring gesteld. Op 27 augustus 2001 is daarvan kennisgegeven aan de rechtbank. Op 3 september 2001 heeft de toenmalige gemachtigde van de vreemdelinge per fax medegedeeld dat zijn cliƫnte inmiddels was uitgezet en dat hij het beroep daarom introk. Op diezelfde datum vond echter de zitting plaats, waarop de vreemdelinge in persoon is verschenen. Bij uitspraak van 4 september 2001 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en onder de overweging dat de intrekking op een kennelijke vergissing berust, (onder meer) de gemachtigde van de vreemdeling de mogelijkheid geboden de intrekking van zijn beroep ongedaan te maken en het beroep uiterlijk op 6 september 2001 alsnog te motiveren. Op 6 september 2001 heeft de gemachtigde per fax laten weten dat "het door hem ingetrokken beroep gehandhaafd blijft". Gezien de onduidelijke formulering is door de rechtbank om een toelichting verzocht, waarna de gemachtigde bij fax van 10 september 2001 heeft laten weten dat het beroep ingetrokken is en blijft. Het beroep is op de zitting van 18 september 2001 opnieuw geagendeerd en aan de vreemdelinge is haar huidige gemachtigde toegevoegd. Deze heeft ter zitting schriftelijk beroep ingesteld. II. OVERWEGINGEN De rechtbank stelt voorop, dat het beroep dat de vreemdelinge door middel van de kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, Vw geacht wordt te hebben ingesteld ondubbelzinnig is ingetrokken. Daarmee is de rechtbank welbewust afgehouden van het doen van een uitspraak over de rechtmatigheid van de maatregel van inbewaringstelling. De rechtszekerheid vereist, dat verweerder er in een dergelijk geval op kan vertrouwen dat de totstandkoming van die maatregel (met inbegrip van de gronden daarvoor) niet meer in rechte kan worden aangetast. In ieder stadium van de bewaring kan door (de gemachtigde van) de vreemdeling beroep worden ingesteld. In de artikelen 94, eerste lid, en 96, eerste lid, Vw is hiermee bijvoorbeeld expliciet rekening gehouden. De huidige gemachtigde van de vreemdelinge heeft ter zitting schriftelijk beroep ingesteld nadat haar duidelijk was geworden dat het vorige beroep was ingetrokken. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:4, derde lid, Algemene wet bestuursrecht, inhoudende dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Het beroep dient naar het oordeel van de rechtbank gezien het intrekken van het eerste beroep te worden aangemerkt als een vervolgberoep. Ter toetsing ligt daarom nog slechts de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring voor. Aan hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd met betrekking tot de strafrechtelijke staandehouding en aanhouding van de vreemdelinge gaat de rechtbank dan ook voorbij (daargelaten de vraag of zij aan toetsing daarvan zou zijn toegekomen). Ook de vraag of de vreemdelinge in staat is, dan wel had moeten worden, gesteld om aangifte te doen wegens vrouwenhandel had bij de behandeling van het eerste beroep aan de orde kunnen komen. Ter zitting is overigens gebleken dat de vreemdelinge wel contact heeft gehad met de jeugdzedenpolitie. Desgevraagd heeft zij medegedeeld zich niet met prostitutie te hebben beziggehouden, geen aangifte te willen doen tegen wie dan ook en alleen maar naar huis te willen. Tijdens een verhoor op 27 augustus 2001 heeft zij gesteld dat haar ware naam B is en dat zij afkomstig is uit C in Wit-Rusland. Verweerder bereidt nu een presentatie bij de Wit-Russische autoriteiten voor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende zicht op uitzetting is en dat verweerder met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting werkt. 8. Niet is gebleken dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdelinge in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. 9. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen. 10. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage RECHT DOENDE: Verklaart het beroep ongegrond. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. Aldus gedaan door mr. J. Eisses en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2001, in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier. afschrift verzonden op: 25 september 2001